

[III]
Het is thans vijf jaar geleden, dat twee oplagenvan dit werkje binnen weinige maanden uitverkocht werden. Aan degenen,die mij toen aanspoorden eenen nieuwen druk te doen verschijnen,antwoordde ik, dat een gastheer, die achting heeft voor zijne gasten enprijs stelt op hunne goede meening, zich wel wachten zal hun telkensdenzelfden schotel op nieuw voor te zetten, al hebben zij ook blijkgegeven van dien naar hun smaak te vinden. Een tijdsverloop van vijfjaren scheen mij echter voldoende toe, om eene herhaalde opdissching terechtvaardigen. Nieuwe gasten zullen wellicht willen aanzitten, en deouden zullen bevinden, dat aan den schotel eenige kruiderijen zijntoegevoegd, die aan sommige beten eenen anderen smaak geven.
Deze toevoeging heeft ook invloed gehad op den titel. Er zijnonderwerpen die thans aan de orde van den dag zijn, maar waarvan men in1865 nog niet droomen kon. Zoo moest dan Anno 2065 Anno 2070 worden.Trouwens de [IV]hoogduitsche vertaler van dit werkje hadmij reeds het voorbeeld gegeven, door het Anno 2066 te betitelen. Menmoet wel met zijnen tijd medegaan, en wij leven snel in onzen tijd. Inde verloopen vijf jaren heeft reeds veel eene andere gedaanteverkregen. Van de in 1865 gedane voorspellingen werd reeds eene, diebetreffende Venetië, in het volgende jaar vervuld, en eene andere,die aangaande spoorwegen uit Zwitserland naar Italië, onder deAlpen door, is op het punt van verwezenlijkt te worden. Reeds heeftzich in Berlijn eene maatschappij voor distributie van verwarmde luchtgevormd, en een beroemd Fransch ingenieur heeft het denkbeeld opgevatom de kracht van vallend water te verzamelen en in eigene toestellenoveral heen te vervoeren waar behoefte aan arbeidsvermogenbestaat.
Indien het zoo blijft voortgaan, dan zullen er wellicht ondermijne jongere lezers sommigen zijn die nog eenen tijd beleven, waarinzelfs dit werkje geheel verouderd is en zijn titel als eene ironie opde langzaamheid van den vooruitgang wordt beschouwd.
Utrecht, 20 Junij 1870.
Dr. Dioscorides.[1]
Wanneer men den tegenwoordigen toestand dermaatschappij vergelijkt bij dien van vroegere eeuwen, dan rijst als vanzelve de vraag op: hoe zal die toestand in volgende eeuwen zijn?
Zal die vooruitgang, welke vooral in